skip to Main Content

Wat werkt voor wie?

In het boek Wat werkt voor wie? van Roth en Fonagy (1996) wordt beschreven dat het niet gaat om de kwestie van welke therapeutische interventie het meest effectief is. Maar juist voor wie welke vorm van interventie bijdraagt aan zijn of haar ontwikkeling.

In Nederland vinden we een uitgebreid aanbod van therapie. In mijn praktijk zie ik met grote regelmaat cliënten die ‘uitbehandeld’ zijn in de GGZ, of zelf zoveel negatieve ervaringen hebben opgedaan dat ze op zoek gaan naar alternatieve therapie. Fijn voor mijn praktijk natuurlijk, maar ook zo ongelofelijk jammer! Zeker met de wetenschap hoeveel instanties en hoeveel professionals we hebben in ons land die deze zorg zouden kunnen leveren.

De vraag die hierdoor bij mij blijft spelen is: “waar heeft dit nou mee te maken?”

Ik geloof dat wat Roth en Fonagy, zoals hierboven beschreven staat, maar ook wat Bentzen en Hart (2013) in hun boek ‘Through windows of oppurtunity’ schrijven hier een helder antwoord op geeft.
Nu we weten hoe trauma zich huisvest in ons zenuwstelsel, maar ook hoe we ons ontwikkelen als kind, moeten we iets belangrijks in ogenschouw nemen. Dit heeft alles te maken met neuroaffectieve ontwikkelingspsychologie.

Voor mij vanuit mijn onderwijsachtergrond geen onbekende term; ‘de zone van naaste ontwikkeling’.* De zone van naaste ontwikkeling (ZNO) is het aanspreken van het kind op een niveau dat net buiten bereik is van wat een kind op eigen kracht kan.
Wat een kind zelfstandig kan, is de actuele ontwikkeling. Waar een kind hulp bij nodig heeft, is de naaste ontwikkeling. Het gebied ertussen is de zone van naaste ontwikkeling: activiteiten die het kind nog niet zelfstandig kan, maar wel wanneer het sociale ondersteuning krijgt bij de uitvoering ervan.
Eenvoudig gezegd komt het hier op neer: het kind kan al iets, maar een volgende fase van de ontwikkeling dient zich bijna aan. Bijvoorbeeld: het kind kan de telrij noemen van één tot tien maar kan nog niet zelfstandig voorwerpen tellen. Door samen voorwerpen te tellen lukt het wel. Je speelt in op wat het kind kan en creëert kansen zodat het kind kan oefenen. Zo stimuleer je de zone van naaste ontwikkeling.

In de ontwikkelingspsychologie is dat niet anders. Ook daarin kennen we fasen, die met de kennis van het model van het Triune-brein (MacLean 1990) door Bentzen en Hart uiteengezet zijn.
Op het jongste, autonome en zintuiglijke niveau (de hersenstam), van waaruit onder andere ons zenuwstelsel wordt gereguleerd. Het daaropvolgende emotionele niveau (limbisch systeem) en als laatste de prefrontale cortex, waar de executieve functies zich bevinden; zoals het vermogen tot mentaliseren.**

Voor verschillende cliënten kan een variëteit van psychologische behandelingen leiden tot psychologische ontwikkeling. Veilig gehechte kinderen en volwassenen met een groot vermogen tot mentaliseren hebben waarschijnlijk een gedegen mate van zelfbehoud waardoor zij baat kunnen hebben bij narratieve en cognitieve therapeutische benaderingen.
Oudere kinderen en volwassenen die een vermogen tot mentaliseren hebben ontwikkeld, zullen in staat zijn om te symboliseren en fantasieën, verlangens, etcetera te hebben. Deze zijn helpend als het gaat om zelf-regulerende patronen en interactie met de therapeut.

Maar het zijn juist die cliënten, met hechtings- en/of ontwikkelingstrauma, waarbij de neuroaffectieve ontwikkeling niet vanzelf is gegaan. Waar hiaten in eerdere ontwikkelingsfasen te vinden zijn en daardoor ook de daaropvolgende fasen op hun beurt weer zijn beïnvloedt.
Een van belangrijkste redenen waarom bovengenoemde therapieën niet voldoende werken, is dat zij voorbij gaan aan die fasen in de ontwikkeling die nog niet voltooid zijn. In de metafoor blijvend, te snel een beroep doen op zelfstandig voorwerpen tellen.

Kijkend naar de ontwikkeling vanuit het brein, waarbij inzet op de eerdere ontwikkelingsfasen nodig is, zal de focus dus moeten verschuiven van kijken of de ingezette methodiek aansluit op deze specifieke cliënt, naar: ontmoet ik deze cliënt in de zone van naaste ontwikkeling?

Een voorbeeld hiervan bij kindertherapie is dat een kind dat nog niet voldoende in staat is tot spel te komen, niet in staat zal zijn om aan speltherapie deel te nemen, omdat het daarvoor in staat moet zijn om interne conflicten te externaliseren. De kans bestaat bij te weinig afstemming dat deze vorm van therapie juist zorgt voor een vergroten van disregulatie van het nog fragiele zenuwstelsel van dit kind.
Fonagy (2005) noemt in het geval van volwassenen dat onvoldoende aansluiten op de cliënt, met andere woorden, een beroep doen op vaardigheden die een cliënt nog niet bezit, tot gevolg kan hebben dat hij of zij zich nog inadequater voelt en zijn/haar conditie juist doet verslechteren.

Dus als het gaat om cliënten die al veel therapie achter de rug hebben, kwetsbaarder zijn, veel hebben meegemaakt, doe je er goed aan om eens in te zoomen op de kwaliteit van het contact. Het contact tussen jou en je cliënt. Want waar baby’s het meeste baat hebben bij gedeelde contactmomenten in het hier en nu als het gaat om de ontwikkeling van hun brein, is dat voor kinderen en volwassenen in therapie niet anders.

Hafstand en Øvreeide (2007) omschrijven dat op een heel gevoelige manier:

When I show you that I see you, then you see me, for in my helplessness I need for you to see me…. Your face comes before my own, because I need to have access to it in order to become me.

Heb je interesse in hoe deze ontwikkeling verloopt? Hoe je daar als therapeut meer zicht op krijgt of waar jouw specifieke cliënt bij gebaat zou zijn? Neem dan contact met me op.

*Bron zone van naaste ontwikkeling: (wij-leren.nl/zone-van-naaste-ontwikkeling)
**Mentaliseren houdt in dat je het gedrag van jezelf en anderen kan begrijpen en verklaren vanuit achterliggende gevoelens, gedachten en motivatie.

Back To Top